Gij zult niet genieten
Eind vorig jaar kon je lezen dat de gemeente Amsterdam 100% drugsvrije feesten wil. De Notitie Dance maakt organistoren daar verantwoordelijk voor. Drugsonderzoeker Ton Nabben klom in de pen en schreef een boze open brief aan Het Parool.
Nu het de politie na drie jaar zerotolerancebeleid middels actieve opsporing van HIT teams, drugshonden en stringente controles niet gelukt is om dance-events volledig drugsvrij te krijgen, is de verantwoordelijkheid weer geheel bij de danceorganisaties komen te liggen.
Of zij hier gelukkig mee moeten zijn valt nog te bezien. Want de burgemeester eist in de Dance Events Notitie dat organisaties -ondanks hun beperkte fouilleringsbevoegdheden- voortaan drugsvrije feesten moeten garanderen. Lukt hun dat niet, dan verliezen zij hun vergunning.
Deze normatieve sanctie wekt grote bevreemding omdat elke onderbouwing van het niet meer gedogen van dit slachtofferloos delict ontbreekt. Bovendien getuigt de politieke wens van drugsvrije feesten van een bestuurlijk utopisme. Van een evenwichtige politieke balans tussen justitie en volksgezondheid lijkt geen sprake meer te zijn.
Het Amsterdamse drugsbeleid gaat op gebruikersniveau steeds minder uit van gedogen en meer van gebieden. Er wordt minder prioriteit gegeven aan het reduceren van de gezondheidsschade en meer aan een strikte handhaving van de wet. Want in het debat over de aanpak van het als problematisch ervaren recreatief druggebruik laat het Amsterdamse college van b. en w. wel heel erg de oren hangen naar wat justitie ervan vindt.
Dat is vreemd, want alle parameters wijzen uit dat het gebruik van
ecstasy op dance-events na het millennium over de gehele linie een
dalende trend laat zien. De huidige generatie feestvierders is
-dankzij voorlichtingscampagnes met risicoreductie als doel- beter op
de hoogte van de gezondheidsrisico’s van ecstasy dan de ‘chemische
generatie’ uit de jaren negentig. En hoewel ecstasy nog steeds een
populair middel is bevestigen gezondheidswerkers en drugsonderzoekers
dat overdoseringen tegenwoordig een zeldzaamheid zijn.
Het
zou dan ook een drogreden zijn als justitie durft te beweren dat
dankzij haar inspanningen het druggebruik sinds 2005 fors is afgenomen
op dance-events. De honderden arrestaties die zij in de afgelopen
jaren heeft verricht op tientallen feesten moeten dit ‘succes’
legitimeren. Maar uit de talrijke arrestaties blijkt nergens sprake
van een grootschalig georkestreerde drugshandel op feesten, zoals de
politie aanvankelijk beweerde. Dealers zijn er nauwelijks gevangen,
gebruikers en zelfs drugsvrije feestgangers zijn daarentegen wel
gestigmatiseerd, gecriminaliseerd en soms ook geïntimideerd.
Is
de verboden ‘pillengraal’ de Amsterdamse politie dan telkens te slim
af? Of is zij simpelweg een mythe? Dit laatste lijkt het geval, gezien
de schamele ‘kruimels’ die de politie na inzet van groot materieel en
duizenden manuren bij de bezoekers heeft weten te onderscheppen. Het
overgrote deel van de arrestanten blijkt naast wat plukjes cannabis
hooguit één tot twee pillen voor eigen gebruik in bezit te hebben gehad.
Dit
bevestigt het beeld van een gereguleerde genotscultuur dat middels
informele sancties buitensporige excessen al lang tot een aanvaardbaar
minimum heeft weten te beperken. Dat een dance-event geen EO landdag
is moge duidelijk zijn. Toch kunnen beide gemeenschappen worden
getypeerd als een ‘emotional community’ van gelijkgestemden in een
vloeibare geïndividualiseerde samenleving.
Het verschil is
alleen dat God voor de ongelovige roeszoekers een dj is en ecstasy een
substituut voor de hostie ter verhoging van de feestgeest. In beide
gevallen is echter sprake van een geritualiseerde collectieve beleving
die zich kenmerkt door een empatische en positief beleefde sociale
cohesie die niet berust op competitie en strijd maar op plezier, liefde
en respect voor elkaar.
Het wil er bij de overheid maar
niet in dat er nog steeds legio consumenten zijn die de beperkte
gezondheidsrisico’s van illegale ecstasy niet op vinden wegen tegen het
collectieve plezier dat ze hieraan beleven met vrienden én vreemden. In
dit licht bezien is het eisen van drugsvrije feesten eerder een
paternalistische en genotschuwe ontkenning van de symbolische en
zintuiglijke betekenis die hedonistische consumenten eraan toedichten.
Stappers
die zich op dionysische wijze over geven aan nachtelijk vertier worden
in het veiligheidsdogma als bedreigend gezien omdat er sprake zou zijn
van een ‘riskante vrijheid’. Het is nu op de kop af 25 jaar geleden dat
de heroïnegolf haar piek bereikte in Amsterdam. De verslaafdenpopulatie
is inmiddels tot een derde geslonken; de metadonbus heeft het loodje
gelegd. De Zeedijk ligt er proper bij vergeleken met toen. In plaats
van nu de oorlog te verklaren aan ‘ecstasyfeesten’ zou de gemeente zich
in de handen moeten knijpen dat er een sociaal empatisch en niet
verslavend middel als ecstasy hiervoor in plaats is gekomen.
Het
paradoxale is dat het Amsterdamse college van b en w haar creatieve
klasse zegt te koesteren en van groot belang acht voor een bruisende en
bloeiende stad, maar tegelijkertijd geen enkele voeling heeft met de
(sub)culturele dynamiek van de Amsterdamse feestcultuur. De
hardwerkende en geïnspireerde (re)creatieve gebruiker ziet ecstasy
juist als toetje dat het feestplezier verhoogt en dat je deelt -en niet
dealt- met anderen tijdens een kleine minivakantie in het weekend.
Ton
Nabben is verbonden aan het Criminologisch Instituut Bonger en is aan
het promoveren op drugsgebruik in het Amsterdamse uitgaansleven.
|